De celebrity-curator

Lotte Haagsma, gepubliceerd in Metropolis M, nr 3, juni/juli 2014

Een nieuw type curator heeft zijn intrede gedaan in de kunstwereld: de celebrity-curator. Werd de gastcurator uitgenodigd vanwege zijn specifieke deskundigheid, bij de celebrity-curator telt vooral diens roem en onmetelijke passie voor de kunst. Hij vertegenwoordigt een tijd waarin het publiek nog maar weinig te leren valt. Mensen willen in tentoonstellingen vooral heel graag verleid worden.

Op de tentoonstelling Zwagerman kiest in het Teylers Museum vang ik een gesprekje op. ‘Hij schrijft zo prettig leesbaar’, meent de ene vrouw. ‘Ja, dat is zo,’ beaamt de ander, ‘alleen die laatste essaybundel, daar word ik moe van.’ Ik vang nog wat flarden op ‘zware tijd achter de rug’, maar ‘hij heeft een nieuwe vriendin’, het gaat de schrijver Joost Zwagerman gelukkig beter. ‘Kijk, dit werk liet hij zien op tv.’ Een gesprekje dat de belangrijkste ingrediënten van de celebrity-cultuur bevat: een betrokkenheid bij het privéleven van een beroemd persoon die regelmatig in de media verschijnt.

Ze lijken steeds vaker op te duiken in de Nederlandse musea: tentoonstellingen die zijn samengesteld door bekende personen die hun sporen buiten de kunstwereld hebben verdiend. Het Teylers Museum in Haarlem heeft Joost Zwagerman en het Rijksmuseum Amsterdam sloeg filosoof en School of Life-oprichter Alain de Botton aan de haak, die er zijn ideeën uit het boek Art as Therapy aan de praktijk mag toetsen. In september selecteert Tom Barman, zanger van dEUS, hedendaagse Belgische kunst voor de Amersfoortse Kunsthal Kade en mag de Drentse zanger Daniël Lohues een keuze maken uit de collectie van het Drents Museum in Assen.

De entertainmentcultuur knabbelt aan de ivoren toren van de hoge kunst. Ook de Nederlandse kunstwereld lijkt eindelijk om. Ann Demeester siert de cover van Opzij en luncht in de NRC-weekendbijlage Lux. Op televisie, waar de beeldende kunst in het verleden voornamelijk aan bod kwam in statische praatprogramma’s en een enkele documentaire, trekt het vrolijke koppel David Bade en Jasper Krabbé als de ArtMen langs de Europese kunstcentra. Krabbé is kunstenaar en vertelt vlot, maar hij is ook de zoon van Jeroen Krabbé, een van onze beroemdste acteurs, tevens beeldend kunstenaar en graag geziene gast in De Fundatie in Zwolle. Als exposant.

Internationaal is de celebrity al veel langer onderdeel van de kunstwereld. Amerika loopt voorop, met Andy Warhol als de grote wegbereider. Sinds de jaren negentig, toen de Young British Artists door reclameman Charles Saatchi werden gelanceerd, weten ook steeds meer Engelse kunstenaars hun roem handig in te zetten bij hun carrière en te verzilveren. Met name kunstenaars als Tracey Emin en Damien Hirst verwierven een sterrenstatus en maakten dit tot onderdeel van hun kunstpraktijk. In de slipstream van al hun media-aandacht werden enkele galeriehouders (Jay Jopling) en curatoren (Nicolas Bourriaud, Jérôme Sans, Hans Ulrich Obrist) meegezogen.

Van deze drie is alleen nog Hans Ulrich Obrist volop zichtbaar. Hij werd zo’n begrip als curator-zonder-vaste-aanstelling (ook al heeft hij die intussen wel, bij de Serpentine Gallery), dat de afkorting HUO in de kunstwereld volstond, als je het over hem had. Het model ‘Obrist’, die al jaren over de wereld toert van opening naar opening (van al dan niet eigen projecten), sprak vooral een jongere generatie curatoren aan, die zich net als hij presenteren als fan van beroemdheden, om daar vervolgens projecten mee te doen, in het geval van Obrist op z’n minst een interview. De website van Artforum was zo vriendelijk de namen van de wannabe-curatoren te voorzien van gezichten in hun societyrubriek Scene and Herd. Het is al jaren de best gelezen kunstrubriek op internet.

Curatoren en de media, de voorgeschiedenis is lang. Al decennia weten museumdirecteuren en conservatoren dat ze niet zonder de medewerking van de televisie, de radio en de krant kunnen. In Nederland zijn ze allemaal uitgebreid te zien en te horen geweest, van Willem Sandberg tot Rudi Fuchs en Jan Hoet. Mannen met uitgesproken meningen die zij zelfverzekerd en met bravoure over het voetlicht brachten. Het waren zowel echte kenners als uitgesproken liefhebbers, spin in het web van professionele netwerken, waar ze zich lieten omringen door kunstenaars, galeriehouders en verzamelaars. Ze hadden iets te vertellen, op een manier zoals niemand anders dat kon en deed. Niet dat vroeger alles beter was – het waren ook mannetjesputters die weinig ruimte lieten voor hun medewerkers, met uitzondering van een enkele ambitieuze oogappel. Maar hun performance dwong respect af, die oversloeg op de kunst.

Hedendaagse museumdirecteuren profileren zich vooral als betrouwbare managers. Ze blinken uit in reorganisaties en ambitieuze verbouwingen. Nauwlettend houden zij de bezoekersaantallen in de gaten en richten hun aandacht op de fondsenwerving. Hun artistieke positie, kunsthistorische duiding, laat staan persoonlijke smaak, komen veel minder uit de verf. In hun plaats treden conservatoren en (gast)curatoren naar voren, die zich opwerpen als de gidsen van een (massa)publiek en die zich graag laten interviewen over de tentoonstellingen waar ze verantwoordelijk voor zijn. De celebrity-curator past in deze tendens. Hij is de mediagenieke interpretatie van de gastcurator, die al wat langer door de kunstwereld trekt. Wordt de gastcurator door een instelling aangetrokken op grond van zijn kunstinhoudelijke expertise, bij de celebrity-curator is iets anders aan de hand. Hij of zij vertegenwoordigt eerst en vooral de liefhebber die zich in hem of haar moet kunnen herkennen. De celebrity-curator is aaibaar en daarmee de tegenpool van de, volgens de huidige publieke opinie, introverte en wereldvreemde kunstexpert.

De bescheiden presentatie Zwagerman kiest in het Teylers Museum is duidelijk meer associatief dan kunsthistorisch van aard. ‘Een minnezang in vijftig-en-enige kunstwerken’, noemt de schrijver het zelf in zijn introductietekst, met een knipoog naar de beroemde erotische bestseller*. Terry van Druten, de conservator die Zwagerman begeleidde bij de totstandkoming van de tentoonstelling, beaamt dat de media-aandacht die een samenwerking met een beroemdheid oplevert het museum goed uitkomt. Maar hij benadrukt ook het feit dat Zwagerman iemand is met een grote liefde voor de beeldende kunst, een gegeven dat als een rode draad door het leven en oeuvre van de schrijver loopt. De laatste jaren profileert hij zich met zijn optredens bij De Wereld Draait Door ook nog eens nadrukkelijk als de opvolger van Pierre Janssen en Henk van Os, die met hun enthousiaste kunstcolleges op televisie een groot publiek wisten te bereiken. Zwagerman mag dan geen expert zijn, hij is wel een kenner. Mensen als Tom Barman en Daniël Lohues zijn vooral bekend.

We leven in antiautoritaire tijden. De meester, de expert, de kenner, ze zijn er nog wel, maar hun publieke aura is verbleekt. Dit betekent echter niet dat mensen geen voorbeelden meer nodig hebben. Ze verwachten er alleen andere dingen van. Mensen willen niet meer de weg gewezen worden, ze willen geïnspireerd raken, of liever nog verleid. Ze willen zich herkennen in menselijke dilemma’s en persoonlijke passies. Dat verlangen wordt vooral geprojecteerd op personen die regelmatig in de media verschijnen – een grote verdienste als zanger, voetballer of wetenschapper kan daarbij een voordeel zijn, maar is niet van doorslaggevend belang. ‘De onstuitbare opmars van de bekende ondeskundige’, noemen Daan Dijksmanen en Gert Hage het fenomeen in Het roemscenario (de Volkskrant 6 oktober 2012).

Wat is het antwoord van de kunstwereld op deze ontwikkelingen? Verdedigt ze haar toren of toont ze zich creatief en ontwikkelt ze haar eigen(zinnige) celebritystrategie? De kunstwereld staat misschien aan het begin van een omwenteling in de tentoonstellingspraktijk. In de plaats van een kritische kennisgerichte benadering, staat de celebrity-curator voor de bezielende omarming van de kunst. De samenleving heeft er blijkbaar behoefte aan.

* Naar aanleiding van bovenstaand artikel ontstond er een korte mailwisseling met Joost Zwagerman. Hij vond het jammer te worden opgevoerd in een artikel over de celebrity curator, terwijl hij toch al zo lang en nauw bij de beeldende kunst betrokken was. En hij had nog een correctie (die ik niet meer kon verwerken want het tijdschrift was al verschenen): zijn subtitel ‘Een minnezang in vijftig en enige kunstwerken’ verwees niet naar de erotische bestseller maar naar de bloemlezing van Gerrit Komrij: ‘De Nederlandse poëzie in duizend en enige gedichten.’ Dat was zijn kleine ode aan Komrij, schreef hij: ‘die ik een aantal jaren goed gekend heb en van wiens poëzie en zijn bloemlezing ik altijd erg heb genoten – en nog steeds geniet.’
Uiteindelijk was hij het voor een groot deel met mijn stuk eens, liet hij nog weten.

Toon alle artikelen

Keer terug naar de homepage