No Country for Old Man

Lotte Haagsma, gepubliceerd in Metropolis M, nr 2, apr/mei 2014

Het platteland is de New Frontier voor culturele onderzoekers en beschouwers. Niet in letterlijke zin, want feitelijk wordt het al tientallen jaren bezet en volop geëxploiteerd tot in de verste uithoeken van de wereld, maar in figuurlijke zin, als bijna vergeten studieobject waar nog veel kritisch over op te merken valt. Ook door beeldend kunstenaars.

Sinds kort woont meer dan de helft van de mensheid in steden. Gefascineerd door deze ingrijpende mijlpaal stortten ontwerpers zich afgelopen decennia op de soms razendsnelle ontwikkelingen van megapolissen in Azië, Afrika en Zuid-Amerika. Maar wat gebeurde er ondertussen op het platteland? Welke ontwikkelingen deden zich daar voor en hoe verhouden die enorme steden zich tot hun ommeland. Het zijn vragen die na de triomftocht van de steden opnieuw in de belangstelling staan.

Lang stond het platteland voor rust, ruimte en stilstand. Maar Rem Koolhaas, welbekend als stadsliefhebber met zijn Office for Metropolitan Architecture, signaleerde in een lezing bij het aanvaarden van de Jencks Award 2012 een omgekeerde beweging. ‘Where cities and villages become more and more appealing and picturesque, de countryside is now increasingly the territory where enormous complexes are build, along strict Cartesian lines. Whether it is agriculture, server farms for the digital world, or all the other needs for our seemingly casual society.’ Geen gebied ter wereld of het wordt opgeofferd aan de alsmaar voortsnellende vooruitgang.

Een snel veranderend platteland is ook het beeld dat overheerst op de tentoonstelling Mansholt, Landschap in Perspectief bij Bureau Europa in Maastricht. Aan de hand van de politieke loopbaan van de Groningse boerenzoon Sicco Mansholt, van 1945 tot 1958 minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening in zes kabinetten, wordt de naoorlogse geschiedenis van het Nederlandse platteland verteld. Nederland, het land dat al eeuwen maakbaar is gebleken, heeft de industrialisatie van het boerenland sinds de oorlog omarmd en mag gelden als het land waar bio-industrie misschien niet is uitgevonden maar wel op ongekende schaal is doorgevoerd.

Vooral in de wederopbouwjaren heerste er een optimistisch geloof in de vooruitgang. In Maastricht wordt een reeks voorlichtingsfilms uit die tijd getoond: trotse, hardwerkende boeren op grote machines in een weids landschap. Het trage geploeter op kleine, ver uit elkaar gelegen kavels, omringd door onderhoudsintensieve sloten en houtwallen, was verleden tijd. Door ruilverkaveling en moderne technieken won de boer aan vrije tijd, die hij kon doorbrengen met zijn vriendelijke vrouw en blije kinderen. Op in de vaart der volkeren!

Nadelig effect van de optimalisatie van het boerenbedrijf is overproductie; de zogenaamde boterbergen en wijnplassen die in de jaren zestig ontstonden. De gevierde politicus Mansholt, in 1958 tot eerste Eurocommissaris voor landbouw benoemd, werd aan het einde van zijn loopbaan geconfronteerd met boze boeren die protesteerden tegen zijn maatregelen om de agrarische sector in te perken. Net nu het zo lekker ging werd er op de rem getrapt. De boeren vreesden een enorme inkomensval en eisten aanvullende maatregelen van de EU.
Sindsdien vallen er in de landbouw twee dominante bewegingen te onderscheiden. De voorstanders van verdere modernisering, nu met digitale middelen, waarschuwen dat grootschalige, intensieve landbouw nodig is om de groeiende wereldbevolking te kunnen blijven voeden. De andere stroming ijvert juist voor regionale kleinschaligheid en bewustwording, met aandacht voor stadslandbouw, eetbare parken, vergeten gewassen en uitstervende bijen. In Bureau Europa zijn beide tendensen vertegenwoordigd en niet zelden lopen ze er door elkaar; de nieuwste techniek wordt ingezet om duurzaam te kunnen produceren.

Het zal niet verwonderen dat in de kunstwereld vooral de laatste stem een willig oor vindt. In deze habitat voor de artistieke kleine zelfstandige worden de laatste jaren aan de lopende band alternatieven aangedragen voor de als desastreus gekenmerkte grootschalige landbouw. De afgelopen jaren onder meer bij Foodprint van Stroom, Ja Natuurlijk in het GEM, en meest recent in het Museum of Arte Útil in het Van Abbemuseum, waar de Cubaanse kunstenaar Tania Bruguera een enorme hoeveelheid ideeën van kunstenaars voor sociaal-maatschappelijk geëngageerde kunstprojecten aandraagt. Een paar zijn expliciet gericht op de landbouw en ecologie.

De oudste voorbeelden van boerende kunstenaars stammen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, de tijd waarin het rapport De grenzen aan de groei (1972) van de Club van Rome verscheen. Het was een tijd waarin het bewustzijn van de keerzijde van de technische vooruitgang groeide. In Amerika verloederden de binnensteden doordat de middenklasse in hun nieuwe auto naar de buitenwijken trok. In San Francisco begon Bonnie Ora Sherck in reactie op deze ontwikkelingen in 1974 een boerderij met groente- en bloementuinen op een verlaten stuk land onder een kruispunt van snelwegviaducten. De Crossroads Community moest een ecologisch en sociaal kunstwerk zijn. In een groen paradijs onder het voortrazende verkeer ontmoetten buurtbewoners en kunstenaars elkaar bij performances, dansvoorstellingen en educatieprojecten.

De projecten die in Maastricht en Eindhoven verzameld zijn geven aan hoe de traditionele verdeling tussen stilstand en versnelling, tussen stad en land, tussen cultuur en natuur niet altijd meer zo overzichtelijk is als die ooit was. Volgens geologen zijn we een nieuw geologisch tijdperk ingegaan, het Antropoceen, dat wordt gekenmerkt door de mens die als een natuurkracht op de aarde ingrijpt. Of zoals Dirk Sijmons, landschapsarchitect en curator van de komende Internationale Architectuurbiënnale Rotterdam die is gewijd aan Urban by Nature, schrijft in zijn introductie: ‘Er staan wereldwijd meer bomen in parken, kwekerijen en andere menselijke omgevingen dan in het oerwoud.’

Na terugkomst uit Maastricht word ik uitgenodigd voor de presentatie van een onderzoeksproject van kunstenaar Jasmijn Visser over de Falklandeilanden, vlakbij Argentinië. Zij ging daarheen in het kader van The Ultraperipheric, een programma van Land Art Contemporary en TAAK waarin vier kunstenaars de opdracht kregen om een onderzoeksproject te ontwikkelen in de geest van land-art kunstenaar Robert Smithson. Na de Falklandoorlog in 1982 bleven op de eilanden vele tienduizenden landmijnen achter die nog steeds niet allemaal zijn opgeruimd. Sommige stranden zijn al ruim dertig jaar ontoegankelijk en daardoor het territorium geworden van enorme pinguïnkoloniën. De vogels kunnen zich ongestoord in de mijnenvelden begeven, ze zijn immers te licht om de boel tot ontploffing te brengen. Van warzone tot nieuw ecosysteem.

Mansholt, Landschap in Perspectief
Bureau Europa, Maastricht
18 januari t/m 6 april 2014
www.bureau-europa.nl

Museum of Arte Útil
Van Abbemuseum, Eindhoven
7 december 2013 t/m 30 maart 2014
www.museumarteutil.net

Urban by Nature
Internationale Architectuurbiënnale Rotterdam 2014
Kunsthal, Rotterdam
29 mei t/m 24 augustus 2014
www.iabr.nl

The Ultraperipheric
Land Art Contemporary/TAAK
www.landartcontemporary.nl en www.taak.me

Toon alle artikelen

Keer terug naar de homepage