Matthijs de Bruijne: ‘Mijn doel is hetzelfde als dat van de vakbond’

Lotte Haagsma, gepubliceerd in het noodnummer van OPEN, 22 sept 2011

Beeldend kunstenaar Matthijs de Bruijne is politiek kunstenaar. Daar kiest hij welbewust voor. Hij stelt zijn werk in dienst van een maatschappelijk doel. Het woord ‘engagement’ dekt daarbij de lading niet. ‘Ik ben geen geëngageerde kunstenaar,’ legt hij uit, ‘althans, niet in de zin van “betrokken”. Dat is me te vrijblijvend. Wil je als kunstenaar werkelijk politiek zijn, dan zul je een deel van je autonomie moeten opgeven.’ Op dit moment werkt hij samen met Domestic Workers Nederland (onderdeel van de Vakbond van Schoonmakers van FNV Bondgenoten) aan een campagne voor een betere positie van de huishoudelijk werkers in Nederland.

Dat kunst politiek kan zijn besefte De Bruijne zich in Argentinië, waar hij van 2001 tot en met 2005 verbleef. In het Zuid-Amerikaanse land was op dat moment een zware economische crisis aan de gang. In 2001 verloren velen alle geloof in de politiek, wat leidde tot enkele stevige opstanden. Uiteindelijk werd de peso in 2002 losgekoppeld van de dollar, waardoor de Argentijnse munt sterk devalueerde. De gevolgen voor de inkomens van de Argentijnen waren gigantisch. De maatschappelijke onrust was groot. Het fascineerde De Bruijne hoe tastbaar aanwezig de politieke situatie was op straat. Hij ziet daarin overeenkomsten met de huidige ontwikkelingen in Nederland, vertelt hij: ‘Niet dat het hier al zover is, maar we gaan wel die richting op. Je ziet dat de kwetsbaarheid van bepaalde groepen groter wordt. Mensen die psychische hulp nodig hebben, laagopgeleiden, werkelozen, zij krijgen de hardste klappen. Daarnaast zie je, net als in Argentinië, een proces van criminalisering. Diegenen die niet bruikbaar zijn binnen de economie worden als uitschot behandeld.’
‘Die periode in Argentinië betekende voor mij een omslag’, legt De Bruijne uit. ‘Ik had een kunstopleiding genoten aan de Rijksacademie in Amsterdam, daarvoor was ik in de jaren tachtig politiek actief geweest. Pas in Argentinië kwamen die twee werelden, kunst en politiek, op een vanzelfsprekende manier bij elkaar. Vanaf die tijd richt ik me in mijn werk bewust op economische probleemgebieden.’ In Buenos Aires maakte hij een werk over de cartoneros, mensen die hun geld verdienen met het verzamelen, scheiden en doorverkopen van afval zoals karton, aluminium en glas. De Bruijne noteerde hun verhalen en plaatste deze samen met door hen gevonden voorwerpen op een website.

Wat is je rol als kunstenaar in dergelijke omstandigheden?

‘Ik maakte in Argentinië per toeval een kunstwerk dat een bredere maatschappelijke betekenis kreeg. Mijn website Liquidacion.org werd door meer dan een half miljoen mensen bezocht, voornamelijk Argentijnen van buiten de kunstwereld. Mensen uit de middenklasse die zich door de crisis bewust werden van de ellendige levensomstandigheden van de allerarmsten. Ik realiseerde me plotseling dat kunst wel degelijk een rol kan spelen bij politieke bewustwording.’

Maakt kunst dan zichtbaar wat anders verborgen blijft?

‘Ik zou nog een stap verder willen gaan. Ik stel me als kunstenaar terughoudend op in mijn werk, maar ik vind dat het kunstwerk zelf helemaal niet terughoudend of beschouwend hoeft te zijn. Het is juist mijn streven om een werk te maken dat werkelijk iets in beweging zet. Er zijn twee soorten politieke kunst. Er is kunst over politiek en kunst die zelf politiek wil zijn. Dat is een gigantisch verschil. Instellingen voor hedendaagse kunst hebben zich de laatste jaren een progressief imago aangemeten door politiek getinte kunst te brengen. Ik vraag me dan af of het alleen om de positionering gaat of dat zo’n instelling ook werkelijk iets in gang wil zetten… Als je dat laatste wilt, moet je verbreden.’

Je bedoelt je publiek verbreden?

‘We zitten met het probleem dat de kunstwereld zich de laatste tien, vijftien jaar compleet naar binnen heeft gekeerd. Kunst is een intellectuele bezigheid, maar dat betekent niet dat deze onvertaalbaar is naar een grotere groep mensen. Die vertaling is echter verwaarloosd. Wanneer je ophoudt kunst uit te leggen aan de mensen op straat, wreekt zich dat op den duur. Je kunt nu wel hard roepen dat de kunstwereld allianties moet smeden, maar dat is betrekkelijk laat. Er bestaat ondertussen een groot wantrouwen. Wanneer je politiek effectief wilt zijn als kunstenaar, zul je buiten de muren van de instituten en musea moeten treden.’

Vorig jaar werd De Bruijne door de Vakbond van Schoonmakers van FNV bondgenoten benaderd voor een samenwerking. Samen met vijftig schoonmakers stelde hij toen het Afvalmuseum samen, dat afgelopen maart ter herdenking van de stakingen een jaar eerder twee dagen op het Centraal Station in Utrecht stond. In het museum hingen objecten die de schoonmakers tijdens hun werk verzamelden, gecombineerd met verhalen over hun werkomstandigheden.

Hoe kwam de vakbond bij jou terecht?

‘Mensen van de bond hadden het werk 1000dreams.org in de tentoonstelling Principio Potosí gezien dat ik samen met Chinese migrantenarbeiders heb gemaakt. Binnen de vakbond leeft het idee dat er nieuwe manieren nodig zijn om haar politieke gedachtegoed te communiceren, en dat de beeldende kunst daar één van is. Ik denk dat die gedachte klopt. Het heeft me verbaasd hoeveel aandacht er op dat drukke station was voor het museum. Mensen stonden uitgebreid zomaar tien tot vijftien van de in totaal honderd verhalen te lezen.’

Wordt kunst dan niet vooral een communicatiemiddel?

‘Absoluut. Een van mijn grootste inspiratiebronnen is Tucumán Arde (Tucumán brandt). Deze groep kunstenaars verzamelde zich in 1968 in de gelijknamige Argentijnse stad om er – vanuit de kunst – te strijden voor de rechten van de werkeloos geraakte suikerrietarbeiders. Tucumán Arde wordt ook wel omschreven als de grondlegger van het Latijns Amerikaanse conceptualisme. Terwijl het Noord Amerikaanse conceptualisme zocht naar dematerialisatie, lag de nadruk in de Zuid-Amerikaanse beweging vooral op communicatie en educatie. Het werk moest begrijpbaar en leesbaar zijn voor het publiek. Je ziet dat het Noord-Amerikaanse conceptualisme uitstekend gedijt in het museum, terwijl politieke kunst er een beetje dood slaat, is mijn ervaring.’

De Bruijne kiest bij de domestic workers campagne, waarin de Nederlandse overheid wordt opgeroepen een verdrag van de internationale arbeidsorganisatie ILO te ratificeren, heel bewust voor een presentatie in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam (SMBA). ‘We gebruiken een platform met het prestige van het Stedelijk Museum (waar het SMBA onderdeel van is, LH). Daarmee presenteren de domestic workers zich op een plek die heel toegankelijk is voor hun werkgevers: het museum is onderdeel van hun territorium.’
De ervaringen van de – vaak ongedocumenteerde – huishoudelijk werkers zijn in korte statements op briefjes genoteerd, vergelijkbaar met de lijstjes die werkgevers achterlaten voor hun hulp. Deze worden op een groot doek, bespannen met aan elkaar genaaide gele schoonmaakdoekjes, geprikt. ‘Met afmetingen die refereren aan minimalistische schilderijen uit de jaren zestig’, benadrukt De Bruijne nog even.

Je verhoudt je dus weldegelijk tot die abstracte, gedematerialiseerde, beeldende kunst?

‘Ik kom uit de kunstwereld, dus ik speel met de codes. Het werk is leesbaar voor iedereen, maar ik wil ook binnen de kunst iets in gang zetten. Tegelijkertijd is mijn doel hetzelfde als dat van de vakbond. Mijn prioriteit is niet het verder uitbouwen van mijn carrière als kunstenaar. Het kunstwerk dient vóór alles de campagne van de bond te ondersteunen.’

Toon alle interviews

Keer terug naar de homepage