ZUS: Wij maken stad

Lotte Haagsma, Metropolis M, no 6, dec/jan 2012/13

Ze zijn de vrijbuiters van de stedenbouw, de bricoleurs van de nieuwe stad die rafelgebieden aaneensmeden met enkele welgemikte ingrepen. Liever dan voor de verstikkende megalomanie van het lange termijnplan, opteren zij voor de vitaliteit van de adhocstad. ZUS (Zones Urbaines Sensibles) uit Rotterdam: meest bekend is het Schieblock in die stad dat op hun initiatief veranderende in een sprankelende culturele toren, vol stoempende creatievelingen.

In de architectuurwereld zijn door de crisis grote veranderingen gaande. De architect heeft niet langer de autoriteit van weleer en de glans van de zogenaamde starchitect is er een beetje af. Jonge architecten ontwikkelen nieuwe praktijken. Elma van Boxel en Kristian Koreman van onderzoeks- en ontwerpbureau ZUS (Zones Urbaines Sensibles) zijn zulke architecten: naast ontwerper zijn ze ook initiatiefnemer, curator en commentator. Zo voorzagen zij de stad Rotterdam van ongevraagde adviezen en zijn ze sinds drie jaar projectontwikkelaar van hun eigen pand. Ze combineren bevlogenheid met daadkracht.

Ik tref Elma van Boxel en Kristian Koreman in hun kantoor op de derde verdieping van het Schieblock in Rotterdam. ZUS betrok het voormalige kantoorpand vlakbij het Centraal Station ruim tien jaar terug als kraakwacht. Drie jaar geleden bouwden zij het om tot cultureel bedrijfsverzamelgebouw. Nu houden de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR), Studio NAi, Motel Mozaïque, Jazz International Rotterdam, architecten, ontwerpers, webdesigners en andere cultureel ondernemers hier kantoor – er werken inmiddels 350 mensen. Maar er is meer. Het Schieblock vormt het kloppend hart van de geleidelijke transformatie van het omliggende gebied. Gele markeringen op straat waarschuwen de voorbijganger: let op, hier wordt aan de stad gewerkt!

Op de begane grond van het Schieblock bevindt zich De Dépendance_centrum voor stadscultuur. Hier vinden geregeld lezingen, debatten en andere bijeenkomsten plaats. Achter het Schieblock ligt aan het binnenhof sinds afgelopen zomer de Biergarten, een geliefde hang out voor jong en hip Rotterdam. Op het dak vind je de Dak Akker: stadslandbouw op hoog niveau. En dan is er nog de nieuwe route door het gebied vanaf het Centraal Station via het Schieblock naar de overkant van het spoor. De robuuste houten brug over de drukke Schiekade vormt het eerste deel van de Luchtsingel, een verhoogd voetgangerstracé, waarmee een nieuwe verbinding tussen het centrum en Rotterdam-Noord wordt gemaakt.

Lotte Haagsma:
Jullie zijn opgeleid als landschapsarchitecten. Maar bij de ontwikkeling van het Schieblock hebben jullie veel verschillende petten op. Jullie zijn investeerder en ontwikkelaar [ZUS is voor 50% medeontwikkelaar van het Schieblock – red.], onderzoeker, ontwerper, programmeur, verhuurder, daktuinbouwer en gebruiker. Hoe zouden jullie je praktijk willen omschrijven?

Kristian Koreman:
‘Wij maken stad, making city. Daarom gaven we, als mede-curator, deze naam aan de vijfde editie van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam, die afgelopen zomer plaaatsvond. We onderzoeken wat er nodig is om een goed functionerende en prettig leefbare stad te maken.’

Elma van Boxel:
‘Daar hadden we voorbeelden bij nodig en daarom zijn we het zelf gaan doen. Je kunt natuurlijk kritische stukjes schrijven [ZUS schreef een kritisch artikel over de plannen voor het stationsgebied in Rotterdam, dat gepubliceerd is bij ArchiNed – red.] en zeggen dat het allemaal anders moet, maar wij willen ook laten zien hoe. We proberen alternatieve ideeën over stadsontwikkeling uit, waarbij we zo dicht mogelijk bij het DNA van de plek blijven. Het gaat ons om realiteitszin, terwijl we tegelijkertijd dromen proberen te verwezenlijken.’

Kristian Koreman:
‘We hebben een enorme bewijsdrang. We geloven ergens in en willen dat koste wat kost realiseren. Ook al moeten we geheel nieuwe structuren bedenken om iets voor elkaar te krijgen.’

Lotte Haagsma:
Hebben jullie vanaf het begin die, in de architectuurwereld niet zo gangbare, relatie tussen het bedenken, ontwerpen en uitvoeren opgezocht?

Elma van Boxel:
‘Ik weet niet of we het altijd bewust opzoeken… Onze eerste opdracht bestond uit de revitalisering van een zeventiende-eeuws landgoed bij Brussel. Dat leek een leuke, overzichtelijke ontwerpopdracht, maar al heel snel bleek dat er geen geld was voor de uitvoering. Toen bedachten we dat we geld konden binnenhalen met bezoekers. Die moesten dan wel gelokt worden met mooie, bloeiende tuinen, dus zijn we heel Nederland afgestruind met het verzoek om ons tulpenbollen te doneren. Zoiets doen we omdat we ons plan willen realiseren en geloven in het resultaat.’

Lotte Haagsma:
Met het samenvloeien van zulke verschillende rollen kunnen er ook dingen mislukken. Jullie zitten in het Schieblock als verhuurder, beheerder en conciërge. Als er iets misgaat, krijg je veel over je heen. Tegelijkertijd runnen jullie hier een ontwerpbureau met projecten die zich overal ter wereld afspelen, van Almere tot Shenzhen. Hoe houd je dat vol?

Elma van Boxel:
‘Door een goed team te bouwen. Ons team houdt veel dingen bij ons tweeën weg, zodat wij niet over alles hoeven na te denken. Het is een kwestie van delegeren en soms ook streng zijn, jezelf afsluiten. Het scheelt ook dat we een koppel zijn. Je zit er nooit op hetzelfde moment helemaal doorheen. Dus als het nodig is, kan de één het stokje even van de ander overnemen.’

Kristian Koreman:
‘We hebben zeker onze slapeloze nachten gehad. We hebben soms ook roofbouw gepleegd op ons team. Een van onze medewerkers is niet voor niks twee maanden olifanten aan het wassen in Afrika… Maar we hebben zoveel kennis en ervaring opgedaan. We kunnen dus ook tevreden achterom kijken. Er zijn gelukkig meer dingen goed dan fout gegaan.’

Lotte Haagsma:
Waarin verschilt jullie aanpak van de gangbare stadsontwikkeling, bijvoorbeeld bij het Schieblock?

Kristian Koreman:
‘De afgelopen twintig jaar zagen veel architecten en stedenbouwers bijna al hun papieren ideeën werkelijkheid worden, zonder veel aandacht te hoeven besteden aan de achterliggende complexiteit van verschillende gebruikers en businessmodellen. Bij het Schieblock en het omliggende gebied zijn we juist begonnen met de realiteit achter de schermen: vergunningen, financiële constructies, enzovoort. We zijn gaan onderzoeken waarom hier niets gebeurde.’

Elma van Boxel:
‘We zijn vooral ook gaan kijken wat er wél gebeurde. Wij zagen een levendig gebied, met allerlei kleine, vaak creatieve ondernemers, de populaire discotheek Hollywood en een heleboel verschillende dansscholen (tango, salsa, hiphop, buik- en stijldansen). Maar de gemeente voerde een zerotolerancebeleid met veel politie op straat, dus erg gezellig was het er niet. Het gebied wachtte op sloop, dát zou het startsein vormen voor een nieuwe toekomst. Terwijl het in de ambitiedocumenten voor het Rotterdam Central District ging over de glocal city, een mixed zone waar lokale ondernemers en wereldspelers elkaar zouden ontmoeten. Dan kun je toch beter vanuit de bestaande gebruikswaarde beginnen met transformeren? Dat zijn wij met het Schieblock dan ook gaan doen.’

Kristian Koreman:
‘Voor ons is het gehele ontwikkeltraject van en rond het Schieblock een unieke situatie, waarin de software en de hardware van de stad voor even open source worden gemaakt. We zitten nu echt aan alles tegelijk te morrelen. Na drie jaar testen is de tijdelijkheid nu een permanente conditie aan het worden, die misschien wel nooit leidt tot de grootse plannen die voor dit gebied klaar lagen. Dat komt mede door de crisis. Maar ook daarvoor al, in 2007, toen de plannen gepresenteerd werden, werd gewaarschuwd dat er te veel gepland en gebouwd werd in Rotterdam. Die kennis had alleen nog geen consequenties voor de planvorming.’

Elma van Boxel:
‘Wij krijgen wel eens het verwijt dat we in Rotterdam met gentrification bezig zijn. Maar het gaat ons om een leefbare omgeving, niet om waardevermeerdering in speculatieve zin. Het vastgoed rond het Schieblock wordt momenteel alleen maar afgewaardeerd. Over de toekomst wordt nu ook wel anders nagedacht. Men realiseert zich dat de ontwikkeling veel meer gefaseerd moet plaatsvinden. Men overweegt nu om door te groeien op de bestaande structuur en bebouwing.’

Lotte Haagsma:
Jullie werken hier op een microschaal. Kunnen dergelijke modellen ook op grote schaal worden toegepast?

Elma van Boxel:
‘We laten zien dat je geen gaten in je stedelijk weefsel moet laten vallen. Maar het is geen antwoord op de enorme omvang van de leegstand waar de stad mee te kampen heeft. En als je kijkt naar de problemen van Rotterdam Zuid… Met al die huizen die nu niet afgebouwd worden door de problemen rond woningcorporatie Vestia. Dat is zo groot, daar is onze methode geen antwoord op.’

Kristian Koreman:
‘De woningcorporaties zijn de komende tien jaar hun wonden aan het likken. Grote ontwikkelaars als OVG richten zich op het herontwikkelen van bestaand vastgoed. Burgers en ondernemers pakken steeds nadrukkelijker deeltaken op. De Rotterdamse ontwikkelaar Peter van der Gugten zei het al in 2007 tijdens de conferentie Reviewing Rotterdam: “Nu hebben we misschien tien grote ontwikkelaars in de stad, over tien jaar zijn het er misschien wel duizend en één.”’

Lotte Haagsma:
Moet de stadsontwikkeling op kleinere schaal gaan plaatsvinden?

Elma van Boxel:
‘Ja, maar de gemeente moet juist op een veel hoger niveau gaan denken.’

Kristian Koreman:
‘De overheid moet toezien op de algehele structuur en op de lange termijn koersen. Die instelling ontbreekt in Nederland heel erg. Iedere vier jaar zijn er verkiezingen en dan moet alles weer anders. Terwijl Rotterdam in 1854 met het Singelplan van Willem Nicolaas Rose een structuur voor de komende tweehonderd jaar neerlegde, die zowel ten goede kwam aan de hygiëne als aan de ruimtelijke inrichting van de stad. Je moet als stad kaders bieden, waardoor kleine partijen het vertrouwen krijgen om te investeren.’

Elma van Boxel:
‘Dat kan ook door een heel goed cultuurgebouw neer te zetten, zoals Antwerpen deed met het Museum aan de Stroom (MAS), waar zich nu allerlei ontwikkelingen omheen scharen.’

Lotte Haagsma:
In New York runden jullie in 2011 de eerste aflevering van het BMW Guggenheim Lab, een samenwerking tussen BMW en het Guggenheim Museum. Wat hield dat precies in?

Elma van Boxel:
‘We werden gevraagd, omdat we als architecten ons vak telkens ondervragen. We maakten deel uit van een team met mensen uit verschillende disciplines: een journalist uit Canada, een microbioloog uit Lagos en een activist uit de Bronx. Daarbij mochten we grotendeels zelf uitvinden waarover het moest gaan. Het overkoepelende thema was “Confronting Comfort”.’

Kristian Koreman:
‘Het Guggenheim vond het blijkbaar tijd om, na de bouw van dat veel te grote museum in Abu Dhabi, het contact met de straat aan te halen, om de dialoog met de stad te zoeken. Vervolgens gaat men het politieke debat uit de weg. De thema’s zijn vrij onschuldig en blijven op de vlakte. In Berlijn, waar het Lab afgelopen jaar neerstreek, heeft dat tot veel kritiek geleid en ook in New York roerden de buurtactivisten zich.’

Elma van Boxel:
‘Wij hebben uiteindelijk een spel ontwikkeld, waarmee we de deelnemers wilden laten nadenken over de keuzes die je moet maken bij de ontwikkeling van de stad: Urbanology. We wilden het hebben over de relatie tussen het lokale en het globale in een wereldstad als New York.’

Kristian Koreman:
‘Daar zaten we dan in een heel open, muurloos paviljoen op een locatie op First Street, hartje Lower Eastside, omringd door de herrie van het verkeer. Op een heel beladen plek, met een ongelofelijke geschiedenis van gentrification en activisme. We voelden ons heel naakt. We zijn meteen de dialoog aangegaan met de omgeving en hebben contact gezocht met buurtactivisten.’

Elma van Boxel:
‘Het was echt fantastisch om met al die verschillende mensen aan tafel te zitten. We hadden een behoorlijk ambitieus lijstje van mensen die we wilden spreken: Saskia Sassen, Richard Sennett, Liz Diller [van het ontwerpbureau Diller Scofidio + Renfro ? red.] … Die mensen wonen daar allemaal. Ze waren geïnteresseerd en namen in de avonduren deel aan de dialogen. Zo kregen we inzicht in hoe de stadsontwikkeling in New York functioneert. De gemeente werkt er op een zeer abstract niveau, maar kijkt ook goed hoe een plek wordt gebruikt. Het hoofd stedenbouw zit in New York voortdurend bij public hearings, hij reist van buurthuis naar buurthuis. Het stikt er van de community gardens, kleine stukjes publieke ruimte die door buurtbewoners worden onderhouden.’

Kristian Koreman:
‘Manhattan wordt door een club van driehonderd man gepland, terwijl er bij Stadsontwikkeling Rotterdam drieduizend mensen in dienst zijn. We waren onder de indruk van de slimheid die in het New Yorkse systeem zit, waarbij het private kapitaal, maar ook de gemeenschap maximaal wordt ingezet.’

Lotte Haagsma:
In de Nederlandse architectuur werd lang uitgegaan van de maakbaarheid van de stad. Goede architectuur en stedenbouw zouden leiden tot een betere samenleving. Hoe kijken jullie daar tegen aan?

Kristian Koreman:
‘We geloven wel in een bepaalde vorm van maakbaarheid. We geloven dat als je de bits and pieces van de stad op een slimme manier aan elkaar knoopt, het geheel productiever wordt. Ik denk dat de vooruitgang vooral zit in het uitvinden van nieuwe constructies, waarbinnen burgers vooruitgang kunnen boeken.’

Elma van Boxel:
‘Zelfmaakbaarheid.’

Toon alle interviews

Keer terug naar de homepage