Vroeger was alles beter?!

Lotte Haagsma, gepubliceerd op ArchiNed, 3 december 2004

Romeo Delta nodigde een aantal ‘oude rotten in het vak’ uit om te praten over hun werk, hun inspiratiebronnen en de huidige stand van zaken binnen het ontwerpersvak. Bruno Ninaber, Wim Crouwel, Wim Quist en Willem Velthoven werden aan de tand gevoeld door Bert van Meggelen.

In een overvol en dampend zaaltje achter het Nighttown Café deelde Van Meggelen de avond op in vier ronden, waarbij hij direct al aankondigde niet aan de laatste ronde met de stelling ‘Vroeger was alles beter’ te zullen toekomen. Allereerst vroeg hij naar de persoonlijke inspiratiebronnen van zijn gasten.

Bruno Ninaber ontwikkelde zich in de jaren zeventig tot productontwerper. Hij had een opleiding tot edelsmid achter de rug, maar gegrepen door de tijdgeest wilde hij geen dure sieraden voor de upper class ontwerpen. Ninaber wilde dingen maken waar grote groepen mensen iets aan hebben, gebruik makend van nieuwe technieken wilde hij meewerken aan een betere wereld. Het was voor hem een optimistische tijd vol maatschappelijke betrokkenheid en collectiviteit, een optimisme dat nu lijkt weggeëbd.

Wim Crouwel, jong ontwerper in de jaren vijftig, vertelt over het optimisme uit zijn tijd, een optimisme dat – verbonden met wederopbouw en technische ontwikkelingen – streefde naar betere leefomstandigheden. Ontwerpers deden ertoe, ze konden een essentiële bijdrage leveren. Hij werd geïnspireerd door het modernisme uit de jaren 20, vooral door de architectuur uit die tijd, hij roemt de Zonnestraal van de architecten Duiker en Bijvoet.

Volgens Willem Velthoven, de jongste van de vier, was er bij hem sprake van een gebroken carrière, het werd pas leuk toen eind jaren tachtig de nieuwe media beschikbaar kwamen. Hij vond de conceptuele logica daarvan interessant en het feit dat niemand er nog iets van wist was een uitdaging. Lekker pionieren, het nieuwe uitvinden in plaats van het bestaande opnieuw vormgeven.

Als laatste in de rij vertelt Wim Quist over zijn start eind jaren vijftig, hij werd in die tijd niet geïnspireerd door de Nederlandse architectuur, hij keek vooral naar Amerikaanse architecten als Richard Neutra. Ook hem inspireerde de technologische ontwikkelingen die voor nieuwe mogelijkheden in de architectuur zorgden. Een duidelijke overeenkomst tussen de gasten van Romeo Delta is de technische vooruitgang die door hen allen als stimulerend en onmisbaar voor de ontwikkeling van hun werk wordt ervaren. Zijn eerste opdrachten kreeg Quist in Rotterdam, daar leerde hij van het pragmatisme waarmee de Rotterdammers hun stad aan het wederopbouwen waren. ‘Het was een tijd van fatsoen.’ Nu wordt de bouwwereld geregeerd door onkundige managers, toen waren het ingenieurs en aannemers met veel kennis van zaken.

Het feit dat ‘vroeger’ voor de vier heren staat voor verschillende periodes in de vorige eeuw roept, onderling en in de zaal, af en toe veel plezier op. De door Ninaber zo geliefde jaren zeventig worden verafschuwd door Crouwel. Het waren de jaren van woonerven en andere truttigheden, een teruggang in architectuur en vormgeving. Willem Velthoven vertelt dat het werk van Crouwel in zijn studententijd echt niet kon, waardeloos vond hij het. Volgens Velthoven hebben inspiratie en idealen dan ook veel te maken met leeftijd, als je jong bent ben je gevoelig voor de tijdgeest en die heeft een bepalende invloed op je ontwikkeling.

Bert van Meggelen legde hen vervolgens de stelling voor dat de huidige generatie ontwerpers alleen maar bezig is met variaties op oude thema’s of aanschurkt tegen de beeldende kunst. Volgens Ninaber is het opnieuw vormgeven van het bestaande geen probleem, iets kan altijd beter of anders. Zelf is hij geboeid door de vraag waarom iets kapot gaat en probeert dat dan te voorkomen. Crouwel voegt daaraan toe dat je altijd en onvermijdelijk op de schouders van je voorgangers gaat staan. Velthoven poneert zijn idee dat vormgeving als apart vak op sterven na dood is. Iedereen kan het tegenwoordig zelf, de ‘tools’ zijn voor iedereen beschikbaar, vormgeven wordt algemene beschaving. Quist ziet dat toch anders: ‘literature is news which stays news’ en: ‘een leuk Sinterklaasgedicht is nog geen poëzie’. Wat betreft het aanschurken tegen de beeldende kunst vindt Crouwel dat ontwerpers zich zeker moeten laten inspireren, maar dat ze niet moeten vergeten dat vormgeving uiteindelijk om iets anders vraagt. Gebruiksvoorwerpen zijn nu eenmaal geen kunstwerken.

De heren zijn het niet eens met een citaat van Aaron Betsky uit zijn boek False Flat dat Van Meggelen hen voorlegt, daarin stelt deze dat in Nederland niemand zijn kop boven het maaiveld wil uitsteken en dat de Nederlandse architectuur daarom vooral goed is in het ‘gewone’ (woningbouw bijvoorbeeld). Volgens Crouwel had Betsky een idee en daar heeft hij allerlei voorbeelden bij gezocht.

Het is wel zo dat Nederland niet goed is in het erkennen van de eigen kwaliteit, vindt Velthoven, en ook niet in het voor het voetlicht brengen daarvan. Dat wil niet zeggen dat die kwaliteit er niet is. De overheid was als opdrachtgever lange tijd een enorme motor achter de Nederlandse vormgeving. Dat is ze nu niet meer en haar taak wordt onvoldoende overgenomen door grote bedrijven, door de markt. Vormgeving is decoratie geworden, alles wordt opgetuigd met ‘design’, vormgeving wordt zo tot oppervlakkige decoratie.

Volgens Ninaber heerst er in het onderwijs een conceptdenken dat egogericht is – zelfexpressie en articiteit zijn het hoofddoel, er worden oplossingen gezocht voor niet bestaande problemen – hij plaatst dit tegenover het maatschappelijk engagement van voorgaande generaties. Ontwerpers zijn publiciteitsgeil, beginnende ontwerpers worden soms enorm gehyped om snel weer plaats te maken voor de volgende nieuwe ster aan het firmament.

De oudste deelnemer aan het gesprek, Wim Crouwel, ziet het niet zo somber in: ‘Veel vormgevers zijn nog altijd opzoek naar de waarheid. Ontwerpers zijn er nog steeds om ons een stap verder te brengen.’

Aan de stelling ‘Vroeger was alles beter’ kwam Bert van Meggelen zoals beloofd niet toe. Het thema vormde echter de ondertoon van de avond. Niet dat de gasten het er volmondig mee eens waren. Ja, sommigen hadden heimwee naar bepaalde elementen van ‘vroeger’, maar tegelijkertijd verzetten ze zich tegen het idee dat vormgeving er niet meer toe zou doen. Gevraagd naar een project waar hij zelf het trotst op is kwam Willem Velthoven met de T-shirt serie voor Women on Waves (de abortusboot van Rebecca Gomperts). Op deze jurkjes is de tekst ‘I had an Abortion’ gedrukt. Een boodschap aan vrouwen om zich niet te schamen en te verstoppen. Mooie, functionele dingen maken en meewerken aan een betere wereld, daar doe je het voor, ook de jongste en meest relativerende onder de vier.

Toon alle recensies

Keer terug naar de homepage